Staat reageert op oordelen ongelijke beloning
30 april 2026Op 5 maart jl. oordeelde het College voor de Rechten van de Mens dat de Staat vrouwelijke rechters heeft gediscrimineerd. Op 21 april jl. heeft de Staat op deze oordelen gereageerd. In zijn brief stelt de Staat zich deze oordelen aan te trekken en te zien wat de impact van deze oordelen is op de mensen in de organisaties die het betreft. Vervolgens verwijst de Staat naar de 5 miljoen euro die beschikbaar is gesteld voor erkenning en een uit te werken regeling. Tegen deze achtergrond wil het ministerie met de verschillende betrokkenen in een zorgvuldig proces in gesprek over een blijk van erkenning en de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het oordeel van het CRM.
Op 21 april reageerde de Raad voor de rechtspraak op de brief van de Staat door middel van een bericht op Intro.
Zoals de NVvR in het verleden al meermaals heeft aangegeven, wijst zij er ook nu op dat de minister en de NVvR in 1994 alleen verantwoordelijk waren voor het afspreken van het criterium “laatstverdiend loon” (inclusief positieve afwijkingsmogelijkheid) en de bijbehorende salarisschalen en treden. Geen van de partijen die betrokken waren bij het formuleren en de toepassing van het inschalingscriterium, dus minister, NVvR, Raad noch PaG, hebben de onwenselijke discriminatoire effecten van het inschalingsbeleid bedoeld. Nu deze effecten aan het licht zijn gekomen, rust er wat de NVvR betreft een verantwoordelijkheid op de schouders van alle genoemde partijen om tot erkenning en compensatie te komen.
Lees hier de brief van de Staat.
Lees hier het bericht van de Raad voor de rechtspraak op Intro.
Lees in ons dossier Inschaling onze eerdere berichtgeving over dit onderwerp.