‘Kwaliteit is een collectief begrip’
Kwaliteit. Het is een onderwerp dat in elk visiedocument en elk jaarplan terugkomt. Cultuur en kwaliteit is ook een prioriteit van de NVvR. Maar waar hebben we het dan eigenlijk over?
Organisatie, kwaliteit, leiderschap, cultuur. Samenwerking, regie, proces, professionele standaard. De echo van deze woorden weerklinkt in alle rapporten, documenten, visies, projecten en programma’s die de afgelopen vijftig jaar verschenen over de rechterlijke organisatie. Het begon met de instelling van de staatscommissie rechterlijke organisatie in 1976. Het eindigde vooralsnog bij het laatste visitatierapport Kwaliteit van rechtspraak (2023)en de reactie daarop van het zogeheten team Samen in Beweging (zie kader). Volgens de visitatiecommissie bevindt de Rechtspraak in Nederland ‘zich midden in de transitie van klassieke professionaliteit naar organiserende en verbindende professionaliteit’. Nodig is een overkoepeld kwaliteitsbegrip waarmee iedereen in de rechtspraak uit de voeten kan; rechters en bestuurders. De commissie schrijft:
‘In een transitie naar organiserende en verbindende professionaliteit blijft de rechterlijke autonomie op inhoud van de individuele zaak onaangetast, maar wordt van rechters verlangd dat ze met en via anderen werken aan de organisatie van kwaliteit. Iedereen heeft daar vanuit zijn eigen rol een verantwoordelijkheid in. Zo is het aan rechters om hiervoor ruimte te creëren in hun opvatting over rechterlijke professionaliteit en rechterlijke autonomie en de organisatorische, beleidsmatige en maatschappelijke context in hun professionele handelen te betrekken. En is het aan bestuur en management om dit proces te stimuleren en te faciliteren.’ (p.44)
Hoe organiseer je kwaliteit? En wat is het eigenlijk, kwaliteit? Saskia Sicking, sinds 2026 rechterlijk bestuurslid van de Raad voor de rechtspraak en oud-president van de rechtbank Oost-Brabant, vindt het even ingewikkelde als uitdagende vragen. ‘Kwaliteit is voor mij op de eerste plaats datgene doen wat de maatschappij van ons vraagt,’ zegt ze. ‘De rechtspraak is er voor de samenleving en de rechtzoekende, niet voor de organisatie zelf.’
Wat vraagt de maatschappij van de Rechtspraak?
‘Dat heeft het team Samen in Beweging (zie kader) onderzocht. Het team vroeg aan medewerkers van de rechtspraak en aan buitenstaanders wat zij verstonden onder het begrip kwaliteit. Alle genoemde begrippen, in- en extern, werden in zogeheten woordwolken gezet om te bepalen waar het nou eigenlijk om gaat. Dat leverde een kwaliteitskompas met zeven kernelementen op: onafhankelijkheid, rechtvaardigheid, deskundigheid, zorgvuldigheid, toegankelijkheid, voortvarendheid en begrijpelijkheid.
Daarmee zijn we er nog niet, want elk voor zich zijn dit containerbegrippen waaronder iedereen weer iets anders verstaat. We willen daarom al deze elementen koppelen aan concrete doelen en instrumenten, waardoor uiteindelijk het vertrouwen in de rechtspraak wordt verstrekt.’
Kun je een concreet doel noemen?
‘Neem begrijpelijkheid. Uit onderzoek blijkt dat de individuele rechtzoekende vooral gehoord en gezien wil worden. Mensen willen hun verhaal kunnen vertellen aan een mens van vlees en bloed en willen niet te lang wachten op een uitspraak. Om die reden ben ik een voorstander van mondelinge uitspraken in begrijpelijke taal. Een mondelinge uitspraak is per definitie begrijpelijk, omdat de rechter direct kan zien of de boodschap overkomt. Is begrijpelijkheid belangrijker dan juridische gedetailleerdheid? Ja, ik vind van wel. We zijn er niet voor de Hoge Raad en ook niet voor de wetenschap. Die instituties zijn heel belangrijk en wij moeten zeker ons werk doen op een manier zodat zij hun werk ook kunnen doen. Maar wij zijn er primair voor de samenleving en de rechtzoekende. En als die het niet begrijpen wat wij aan het doen zijn, hebben we een probleem.’
Mondeling uitspraak doen gaat ook sneller.
‘Nou, dat is dan mooi meegenomen. Mij gaat het primair om wat de uitspraak doet met mensen. Het heeft ook iets heel afstandelijks hè, als een rechter op zijn kamer een prachtig vonnis schrijft, maar nooit merkt wat het effect is van zijn uitspraak. Bij de mondelinge uitspraak zie je dat wel. En ja, we hebben ook iets te doen op snelheid en we moeten ook iets doen aan het feit dat we meer werk hebben dan de mensen aan kunnen. Dus als zo’n instrument daaraan bijdraagt: heel fijn.’
Hoe verhoudt het streven naar een overkoepeld kwaliteitsbegrip zich tot het rechterlijk domein?
‘Het rechterlijk domein is ontzettend belangrijk, want elke rechter moet zich bij het nemen van elke beslissing volstrekt vrij weten en zich niet onder druk gezet voelen. Dat betekent dat we rechters niet alleen op individueel niveau onafhankelijk moeten plaatsen, maar ook op organisatorisch en institutioneel niveau. Het betekent niet dat rechters zich nergens iets aan gelegen hoeven te laten liggen. We moeten vrij zijn om de juiste beslissing te nemen, maar we moeten wel rekening houden met de afspraken die we hebben gemaakt. Die kaderen wat de juiste beslissing is. En ook hebben we ons rekenschap te geven van hoe lang het mag duren voor er een beslissing is. In de professionele standaarden hebben rechters zelf vastgelegd wat er nodig is om tot een beslissing te komen. In de doorlooptijdstandaarden hebben we zelf bepaald wat acceptabele doorlooptijden zijn. Afspraken over doorlooptijden zijn niet in beton gegoten, maar het zijn wel afspraken waaraan wij ons als rechters dus in principe hebben te houden. En ik zeg bewust ‘wij’, want ik voel mijzelf ook echt nog rechter. De eerste professionele standaarden voor het civiele recht ontstonden in de tijd dat ik lid was van het Landelijk Overleg Vakinhoud (LOV). Wij hebben er toen expliciet voor gekozen om de werklastnormen niet in de standaarden te verwerken en ik sta nog steeds achter die keuze. De vraag hoeveel tijd je besteedt aan je werk, levert altijd een spanningsveld op. Geen enkele rechter krijgt de tijd die hij eigenlijk aan een zaak zou willen besteden. We moeten het optimum vinden tussen genoeg tijd om de zaak recht te doen en om ook verantwoord bezig te zijn. Want er ligt nog een hele stapel zaken te wachten, hè.’
Samen in Beweging heeft zeven kernbegrippen geformuleerd waarover in april een speciale kwaliteitsdag wordt georganiseerd.[1] Het PRO beslist in de zomer wat er verder gaat gebeuren en hoe het ‘organisatie-kwaliteitsbegrip’ en het ‘inhoudelijke kwaliteitsbegrip’ meer bij elkaar gebracht kunnen worden. Leidt dat tot aanpassing van de professionele standaarden?
‘Het visitatierapport heeft een aantal aanbevelingen gedaan op het terrein van de professionele standaarden. Wat ik heel graag wil - en dat lees ik terug in het visitatierapport - is dat we er een coherent stelsel van maken. Dat de verschillende initiatieven om kwaliteit te bevorderen goed aan elkaar gelinkt zijn. Maar bestuurders blijven van de standaarden van de rechters af. Het is niet zo dat bestuurders gaan zeggen: “Dit moet er in de standaard, want dat staat in het kwaliteitsbegrip.” Dat kan natuurlijk niet.’
[1] Dit interview is voor die datum afgenomen.
En wat bedoel je dan met coherent?
‘Dat er geen gaten vallen en dat er geen verschil van inzicht is. Dat we vanuit een gedeelde visie op kwaliteit werken. Dat niet iedereen kwaliteit zo invult dat het past bij zijn eigen opvatting. En begrijp me goed: De professionaliteit zit echt bij de rechters. Zij zijn degenen die recht spreken. Wat niet betekent dat zij elk hun eigen gereide gang kunnen gaan. Kwaliteit is een collectief begrip. Van bedrijfsvoering en vakinhoud. Ik zou heel graag ophouden met de discussie “wat is van jou en wat is van mij”. Want dan gaan we tegenover elkaar staan. Ik wil mensen aan tafel die hardcore het rechterlijk domein vertegenwoordigen, maar ook mensen van andere expertises, zoals bedrijfsvoering. Ik wil samen op zoek naar het antwoord op de vraag wat wij als rechtspraak te doen hebben voor die samenleving, voor die rechtzoekende.’
Naast de ontwikkeling van een eenduidig kwaliteitsbegrip is de Rechtspraak bezig met de vraag hoe de organisatie wendbaar en slagvaardig kan worden. Is stabiliteit niet juist belangrijk voor een instituut als de rechterlijke macht?
‘De rechtspraak moet een constante factor in de samenleving zijn, daar ben ik het mee eens. Betrouwbaar, niet met alle winden meewaaien. Maar dat neemt niet weg dat wij binnen onze opgave, die echt groot is, wel iets meer flexibiliteit kunnen gebruiken. De afgelopen decennia hebben we onder de druk om efficiënt te werken een heleboel gestandaardiseerd en dat helpt. Maar misschien moeten we inmiddels wel weer meer variatie brengen in de manier waarop we zaken behandelen. Moeten alle zaken in dezelfde mal passen? Past misschien een andere procesvorm? Daarom hecht ik er ook aan dat rechters in principe generalisten zijn, zoals ook in het nieuwe rechtersprofiel – dat nu nog een concept is - naar voren komt. Generalisten kunnen beter schakelen en dat is mijn ideaal; dat zaken die met elkaar te maken hebben ook eerder samen worden opgepakt. Stel dat je als familierechter wordt geconfronteerd met een onder toezichtstelling en op zitting merkt dat er ook grote schulden zijn. Of dat er klappen vallen in het gezin. Hoe mooi zou het zijn als we die problemen er dan meteen bij konden pakken? Dat is wat mij betreft wendbaarheid.’
Kan wendbaarheid ook betekenen dat de rechtspraak sommige dingen niet meer doet?
‘Dat is een spannende vraag, maar ik vind dat we die vraag wel onder ogen moeten zien en daar met elkaar een antwoord op moeten formuleren. Het visitatierapport spreekt niet voor niets over het maken van ‘drastische keuzes’. Ik vind het belangrijk dat “in the end of the day” elke rechtzoekende uiteindelijk bij een rechter terecht kan. Maar dat betekent niet dat iedereen meteen voor van alles en nog wat naar de rechter moet stappen. Mijn ideaalplaatje is om eerst, via zogeheten voorportalen, te onderzoeken of een conflict op een andere manier kan worden opgelost. Eerst informatie geven aan mensen, vervolgens bemiddelen, andere deskundigheid inroepen, en als dat allemaal niet werkt de rechter erbij halen. Dat gedachtengoed vind ik veelbelovend. Net als de idee dat we als rechtspraak meer gebruik kunnen maken van andere expertises. In de adviserende sfeer zijn er inmiddels forensisch en pedagogisch medewerkers. Hartstikke goed. Ik denk dat rechters ontzettend goed hun eigen beperkingen kennen, maar ze zijn wel dag in dag uit bezig met oordelen en dat biedt weinig ruimte aan twijfel. Zo worden we in een zekere stelligheid gevormd die we lang niet overal hebben.’
Kwaliteit is voldoen aan wat de samenleving van ons vraagt, zei je. Tegelijk is de onafhankelijke rechterlijke macht een van de pijlers van de democratische rechtsstaat. Hoe behoud je het evenwicht tussen beide?
‘De rechtsstaat is op dit moment niet zo'n rustig bezit en het is goed dat we daar goed over nadenken. In mijn laatste installatiezitting heb ik daarover drie dingen gezegd. Ten eerste: we moeten in onze relatie met de andere staatsmachten blijven benadrukken hoe belangrijk ieders rol in de rechtsstaat is. Ten tweede: we moeten hulptroepen inschakelen en allianties smeden met andere instituties die ook onder druk staan, zoals de pers en de wetenschap. Niet om “bondjes” te smeden, maar wel om voor elkaar in de bres springen als dat nodig is. En op de derde plaats: wij moeten ons werk goed doen, kwaliteit leveren. En dat betekent allereerst: luisteren. We kunnen wel vertellen waarom de rechtspraak zo belangrijk is, maar als wij niet leveren, kunnen we dat verhaal net zo goed achterwege laten. Ons werk goed doen, dat is het belangrijkste.’
Het team Samen in beweging (SiB) is opgericht om aanbevelingen uit het visitatierapport Kwaliteit door samenwerken verder uit te werken. Het team bestaat uit vertegenwoordigers van het Strategisch Bedrijfsvoeringsoverleg (SBO), het Kwaliteit Portefeuillehoudersoverleg (KPO) en het Gezamenlijk LOV Overleg (GLO) en heeft zich de afgelopen tijd speciaal gebogen over het kwaliteitsbegrip. In- en extern werden vragenlijsten uitgezet om meer grip op het begrip te krijgen. Dat leidde tot een concept-kwaliteitskompas dat op de zogeheten kwaliteitsdag op15 april is besproken. Het interview met Sicking vond voor deze datum plaats.
Op INTRO staat dat de kernelementen onafhankelijkheid, rechtvaardigheid, deskundigheid, zorgvuldigheid, toegankelijkheid, voortvarendheid en begrijpelijkheid ‘gekoppeld zullen worden aan concrete doelen, zoals het verbeteren van klanttevredenheid en processen’. In juni komt het kwaliteitsbegrip ter vaststelling op de agenda van het PRO.