Krampachtige kwaliteit

Krampachtige kwaliteit

Binnen de rechtspraak levert niemand halfproducten. Maar ligt de lat soms niet te hoog?

Moeten. Voor Iris Wilschut (38) was het jarenlang het werkwoord dat haar professionele gedrag bepaalde. Ze moest een goede jurist zijn. Ze moest lijken op wie zij zelf als haar meest briljante collega beschouwde. Ze moest vooral niet door de mand vallen. ‘Ik werkte extreem hard om aan een ideaalbeeld te voldoen dat ik mijzelf onbewust had opgelegd. Daaronder smeulde de angst dat ik eigenlijk een “selectiefout” was. Dat ik nooit tot de RIO-opleiding toegelaten had mogen worden. Dat ik nooit goed genoeg zou zijn.’

Goed genoeg

Nooit goed genoeg zijn, altijd beter willen worden. Veel rechters en officieren van justitie zullen de ambitie herkennen. Juristen zijn geneigd te oordelen, wat hun vak is. Goed en fout, beter, best. Ze leggen hun werk langs de lat van hun eigen morele, juridische en grammaticale standaarden. Daarna volgen de standaarden van anderen, de hogere rechter, de Hoge Raad. Met het spreekwoordelijke rode pennetje in de hand kan elk concept nog net wat scherper worden geformuleerd. ’s Avonds en in het weekend doorwerken is vanzelfsprekend. Goed genoeg is zelden genoeg.

Dat gedrag, en de cultuur waarin dat gedrag kan floreren, lijkt op perfectionisme, maar is het niet, benadrukt oud-rechter en perfectionisme-coach Iris Wilschut. ‘Perfectionisme is niet gelijk aan het streven naar de hoogste kwaliteit,’ legt ze uit. ‘Veel mensen denken dat perfectionisme vooral gaat om het beste, het scherpste, het mooiste. Maar perfectionisme gaat over veel meer. Het is een complex stelsel van gedragingen en overtuigingen dat in de kern neerkomt op de angst niet oké gevonden te worden zoals je bent. Er ligt dus een angst voor afwijzing onder, die maakt dat je het gevoel hebt dat je “goed” naar de normen van de groep moet presteren om je plek te verdienen. Mensen die last hebben van perfectionisme, hebben daarom over het algemeen een grote behoefte aan bevestiging, diep van binnen een laag zelfbeeld, controledrang en faalangst, ze vertonen uitstelgedrag of willen juist alles meteen afmaken, ze piekeren en denken veel, ervaren een enorm verantwoordelijkheidsgevoel en gaan altijd maar door.’

 

De perfecte look

Niet kunnen stoppen was ook een van de dingen waar Iris zelf tegen aan liep. Na een studie rechten in Tilburg en een korte carrière als advocaat werd ze, zevenentwintig jaar oud, toegelaten tot de RIO-opleiding. Ze vond het ‘fantastisch’, als kind wilde ze al rechter worden. Maar eenmaal benoemd, sloeg de twijfel toe. Die onzekerheid compenseerde ze door hard en steeds harder te gaan werken. Dat ze leed aan wat ze later als perfectionisme zou herkennen, kwam niet in haar op. ‘In mijn persoonlijk leven legde ik de lat helemaal niet zo hoog als het bijvoorbeeld ging om het huishouden of de perfecte look. En mijn werk zag ik ook als verre van perfect. Ik dacht dat ik gewoon beter mijn best moest doen. Ik keek vooral naar wie ik zelf mijn beste collega vond, concludeerde daarna wat ik allemaal nog niet kon en ging weer aan de slag om mezelf en mijn werk te verbeteren.’

Je meten aan een ander kan een valkuil worden voor een rechter. Het vak vraagt immers om het vormen van een eigen oordeel, maar de neiging om ‘in de pas te lopen’ is groot. Al dan niet terecht veronderstelde verwachtingen van de hoger beroepsinstanties kunnen de eigen professionele intuïtie overvleugelen. Iris merkte dat ze als bestuursrechter soms uitspraken deed waar ze achteraf buikpijn van had, omdat ze krampachtig de juridische redenering van de heersende rechtspraak wilde volgen, maar in een concrete zaak haar gevoel van rechtvaardigheid negeerde. ‘Ik dacht dat ik het vooral goed moest doen volgens de normen van de organisatie en de rechtspraak en luisterde niet naar wat in mijn ogen goed was voor de rechtzoekenden.’

De cultuur binnen de rechtspraak hielp niet erg mee. ‘Er heerst een onuitgesproken norm dat elk concept dat wordt aangeleverd foutloos moet zijn,’ weet Iris. ‘Niemand levert een halfproduct aan; de lat ligt onbenoemd zo hoog dat velen proberen aan een extreem kwaliteitsniveau te voldoen, zonder dat er expliciet wordt besproken wat er van iemand wordt verwacht en wanneer het voldoende is. Wat dat betreft zit de rechtspraak wel een beetje in een collectieve kramp; vrijwel niemand durft echt kwetsbaarheid te tonen en over deze kwaliteitsdruk te praten.’

De hoge werkdruk versterkt het probleem. ‘Hoewel de sfeer informeel is, is er weinig tijd voor echte connectie; mensen lopen minder makkelijk bij elkaar binnen uit angst de ander te storen in hun strakke schema’s en drukke werkzaamheden. Ik moet eerlijk bekennen dat ik ook liever mijn werk afmaakte dan dat ik iemand echt ruimte bood voor een gesprek. Tijd voor een kopje koffie gunde ik mezelf bijna nooit en ik werkte graag thuis, omdat ik daar ongestoord kon werken.’

 

Creativiteit en innerlijke rust

Zelf had Iris het geluk dat een van haar leidinggevenden het patroon van hard en steeds harder werken herkende. Ze gunde Iris graag een ‘lichter leven’ en raadde een perfectionisme-coach aan die ook werkzaam was als raadsheer. ‘Het voelde heel oprecht en ik wilde zelf ook heel graag lichter leven, dus ging ik ervoor.’ Iris maakte kennis met een methodiek die ervan uitgaat dat elke persoonlijkheid uit drie delen bestaat: een vrij deel, een prestatiedeel en een beschermingsdeel. Het vrije deel staat in het moment, brengt creativiteit, zelfvertrouwen en innerlijke rust. Het prestatiedeel helpt je een plek te krijgen in de maatschappij en zorgt voor structuur, controle en verantwoordelijkheid. Het beschermingsdeel probeert afwijzing te voorkomen.

‘Bij mij waren die drie delen uit balans,’ weet Iris inmiddels. ‘Ik was de creativiteit die ik van nature bezat helemaal kwijt en ervoer alleen nog maar druk. Door de coaching leerde ik om ruimte te geven aan wie ik ten diepste ben. Ik durfde weer vanuit vrijheid een eigen mening te hebben en ook naar mijn gevoel te luisteren, in plaats van alleen maar binnen de lijntjes te kleuren.’ Ze besefte dat ze door deze ontwikkeling eigenlijk een betere rechter werd; ze durfde op zitting twijfelpunten openlijk te bespreken en vaker een eigen, gewogen oordeel te vellen dat afweek van de eerder in de rechtspraak gekozen lijn. ‘Uiteraard wel binnen de ruimte die het recht daartoe bood.’  

Desondanks besloot ze vorig jaar de rechterlijke macht te verlaten. Ze verlangde naar meer autonomie en vrijheid dan het strakke rooster van de rechtbank toeliet en besloot zelfstandige te worden. Inmiddels begeleidt ze als perfectionisme-coach rechters en andere rechtspraakmedewerkers om hoofd en hart beter in balans te brengen en minder krampachtig met uitgesproken en onuitgesproken verwachtingen van de ander en zichzelf om te gaan. ‘Dat zou ik eigenlijk de hele rechtspraak gunnen,’ vertelt de oud-rechter, reden waarom ze ook reflectiebijeenkomsten over perfectionisme geeft.

’Ik gun alle rechtspraakmedewerkers bij het prachtige en belangrijke werk dat zij doen wat meer mildheid voor zichzelf en compassie. Door kwetsbaarheid te tonen en openlijk te praten over onzekerheid en de enorme druk die mensen elkaar en zichzelf opleggen, kan er weer lucht in de organisatie komen. De onzekerheid is er en mag er ook zijn. Erkennen wat er is en daarvoor ruimte maken, helpt al. Een goede rechter is niet iemand die krampachtig probeert een foutloos vonnis af te leveren, maar iemand die met een vrij en ontspannen gemoed recht durft te spreken, natuurlijk binnen het juridisch kader én met oog voor rechtsontwikkeling. Ook de organisatie zou erbij gebaat zijn als kwaliteit niet langer synoniem is aan geen fouten mogen maken, maar aan de vrijheid om authentiek en menselijk recht te blijven spreken met oog voor wat goed is; goed voor de rechtszoekenden, de maatschappij en de magistraat zelf.’

Gerelateerde berichten