Actueel
Bij de vaststelling van de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid is op 24 maart jl. een amendement aangenomen dat 5 miljoen euro vrijmaakt voor een eerste financiële tegemoetkoming voor vrouwelijke rechters en officieren die ongelijk beloond zijn. Uitwerking van een regeling zal plaatshebben in het Sectoroverleg Rechterlijke Macht (SORM).
Het amendement begint met de stelling dat het criterium “laatstverdiend loon” heeft geleid tot ongelijke behandeling van vrouwelijke rechters en officieren. Deze ongelijke beloning is vooralsnog vanaf 1 juli 2023 weggenomen door het nieuwe inschalingsbeleid. Daarmee is de situatie voor vrouwelijke magistraten die voor 1 juli 2023 in dienst zijn getreden echter nog niet weggenomen.
In het aangenomen amendement wordt door de indieners aangegeven dat de daadwerkelijke benadeling voor deze laatste groep vrouwelijke magistraten niet ongedaan kan worden gemaakt, terwijl de indieners tegelijkertijd van mening zijn dat een financiële tegemoetkoming van grote immateriële waarde kan zijn. Indieners beogen hiermee een start te maken van een dergelijke regeling, waarmee een blijk van erkenning mogelijk gemaakt kan worden.
De wijze waarop de financiële tegemoetkoming wordt vormgegeven, zal onderwerp van gesprek zijn in het Sectoroverleg Rechterlijke Macht (SORM)*. Op 26 maart 2026, staat een overleg in het SORM gepland. De NVvR zal de Minister tijdens dit overleg opnieuw wijzen op het belang van erkenning van de ongelijke behandeling en vragen naar diens uitwerking van de regeling ter compensatie.
*In het SORM spreken de werknemer (vertegenwoordigd door de NVvR) en de werkgever (vertegenwoordigd door het departement van Justitie & Veiligheid) met elkaar over arbeidsvoorwaarden en rechtspositie.
De NVvR benadrukt overigens dat zij samen met de minister uitsluitend verantwoordelijk was voor het vaststellen van het criterium ‘laatstverdiend loon’ (met een mogelijkheid tot positieve afwijking) en de bijbehorende salarisschalen. De Raad voor de rechtspraak en het Parket-Generaal hebben op basis daarvan nadere beleidsregels opgesteld, waarbij de invulling van de afwijkingsmogelijkheid door de jaren heen varieerde. De NVvR had geen inspraak in deze eenzijdig opgestelde beleidsregels.