1. Doelstelling van de leidraad en de interne en externe werking ervan

 

Deze leidraad richt zich in eerste instantie tot de individuele rechter. De leidraad bestaat niet zozeer uit een aantal limitatief opgesomde, en overigens niet allesomvattende aanbevelingen, maar geeft met name een kader om te komen tot een gefundeerd oordeel in het individuele geval. De aanbevelingen 9 en 10 richten zich tot de gerechten om verdere discussie over het onderwerp te bevorderen.
De leidraad bevat aanbevelingen die moeten aanzetten tot permanente oplettendheid van rechter en gerecht om de rechterlijke onpartijdigheid te bewaken. Hij beoogt de rechter steeds te noodzaken zich af te vragen of zijn optreden ook daadwerkelijk bij de rechtzoekende en de samenleving het beeld van de onpartijdige rechter oproept. De leidraad streeft ernaar het onderkennen van dilemma’s te bevorderen, dient uitgangspunt te zijn van een éducation permanente en moet een stimulans zijn voor bewustzijn van integriteit. Kortom, de leidraad is een onderdeel van het permanente aandachtsgebied betreffende de verbetering van de kwaliteit van de rechtspraak.

Extern beoogt de leidraad de samenleving inzicht geven in het kader waarbinnen de rechter zijn afwegingen maakt en dient hij als externe verantwoording van rechterlijk gedrag. Als de rechter constant alert is op zijn specifieke staatsrechtelijke taak als onpartijdig en onafhankelijk overheidsrechter, kan de samenleving het vertrouwen hebben dat elke burger toegang heeft tot eerlijke procesvoering.

 

Zoek    
print verstuur